Hoe is die hiërarchie binnen de politie?
“In vergelijking met veel andere landen is de Nederlandse korpsleiding best aanspreekbaar, ook zeker voor de mensen op straat. Maar het werk van Liesbeth Huyzer als plaatsvervangend korpschef bestaat voornamelijk uit bellen met de minister en het Openbaar Ministerie. Die heeft echt een andere dagelijkse werkelijkheid dan de mannen en vrouwen op straat, wat maakt dat het soms moeilijk is om elkaar te begrijpen. Waar de wijkagent om meer uren kan vragen, kan dat voor Huyzer betekenen dat ze die moet afhalen van de zedenpolitie, die ze toevallig net heeft beloofd aan belangengroepen voor mishandelde of verkrachte vrouwen. Dat zijn hele lastige dilemma’s.”
Daarover gesproken: veel wijkagenten willen graag of meer uren, of meer collega’s. Het lijkt soms wel alsof het aantrekken van meer personeel als een soort heilige graal wordt gezien, net als in de zorg en het onderwijs. Is het inderdaad zo simpel?
“Nee, ik denk inderdaad dat het niet zo makkelijk is. Je kan natuurlijk zeggen dat er meer personeel moet komen. De vraag is of de wijkagent alles zelf moet doen, of dat een sociaal werker ook een deel van dat werk kan doen. Er wordt nog weinig creatief omgegaan met politiewerk. Ook als samenleving houden we nog vast aan dat ideaalbeeld van die wijkagent op dat politiebureautje midden in de wijk. We zullen er als samenleving toch ook aan moeten wennen dat politiewerk er tegenwoordig anders uitziet. Voor jongeren aanwezig zijn op Instagram, of met een mobiel busje langs ouderen om ronselpraktijken aan de voordeur onder de aandacht te brengen, werkt misschien veel effectiever dan op je fiets door die wijk te gaan rijden. Dat romantische beeld van zichtbare politie is echt toe aan vervanging. Die ontwikkeling gaat iets te langzaam.
Een ander probleem is dat we als samenleving heel erg gericht zijn op het voorkomen van fouten, in plaats van op het nemen van risico’s. Alles wat je doet, moet worden verantwoord. Op zich heel goed, maar dat betekent dat een wijkagent na één gesprek met een bewoner een uur zit te typen. Soms vraag ik me af of we niet met elkaar moeten accepteren dat er soms gewoon dingen misgaan. Dan zouden we veel meer tijd overhouden om heel veel dingen goed te laten verlopen. Moeten we niet veel meer vertrouwen op de goeie bedoelingen, kennis en kunde van die politie-professional, in plaats van alles te laten administreren en opschrijven uit pure risicomijding?”
Is dit typisch een ontwikkeling van de afgelopen jaren?
“Tijdens mijn veldwerk in de jaren ’90 was dit ook al aan de hand. Maar het neemt enorm toe. Na ieder incident wordt er een nieuwe taskforce in het leven geroepen. We zijn dus heel goed in nieuwe verantwoordingsstructuren erbij verzinnen, maar we zijn heel slecht in het terugdraaien ervan.”
Wijkagenten hebben nu het gevoel dat ze tekortschieten. Tegelijkertijd gaat dat personeelstekort er nog wel eventjes blijven. Moeten wijkagenten hun doelen naar beneden bijstellen?
“Ze moeten echt begrenzen. In de uitzending kwam een fragment voorbij van de Rotterdamse wijkagent Loubna die een vrouw uit haar buurt aan een ander huis hielp omdat zij en haar zoontje de wijk niet meer trokken. Heel fijn voor die mevrouw en knap werk van de wijkagent, maar dat is eigenlijk geen politiewerk. De politie heeft enorm veel last van een tekortschietende GGZ, maar die heeft zelf ook te maken met een vergelijkbaar personeelstekort. En natuurlijk, als er echt ergens sprake is van huiselijk geweld, dan is politie natuurlijk altijd de sluitpost. Die zal dat dan ook oppakken, maar het is eigenlijk geen politiewerk. Dat meer bekendheid geven is een belangrijke taak voor Liesbeth Huyzer.”
Gaan we trots kunnen blijven op onze unieke wijkagent? Of zal het werk langzaam maar zeker steeds meer verschuiven van preventie naar repressie?
“Het is echt een prachtige Nederlandse uitvinding waar veel landen watertandend naar kijken. We moeten er heel erg zuinig op zijn. Maar de wijkagent moet ook met z’n tijd meegaan. Dat betekent ook digitaal weten wat er in een wijk speelt. Daarnaast denk ik ook dat we moeten erkennen dat sommige problemen, zoals de drugscriminaliteit op het Brabantse platteland, gewoon niet tot het takenpakket van de wijkagent behoort. Daar moet veel harder worden doorgeschakeld en beter worden samengewerkt tussen wijkagenten, die als geen ander de sociale situatie van een plek kennen, en de zware interventietak van de landelijke politie.
Met andere woorden, wijkagenten moeten zeker ge-uplevelt worden naar de nieuwe tijd. Maar het concept van in die wijk zitten, verankerd zijn, kennen en gekend worden, dat is en blijft iets om heel zuinig en trots op te zijn.”

Ze studeert als een van de eersten in Nederland af als corporate antropoloog. Antropologisch veldwerk voor haar proefschrift doet ze anderhalf jaar lang achterin de politieauto. Daar leert ze het klappen van de zweep van zowel het onderzoekswerk als de straat kennen. Ze promoveert in 1996 op een onderzoek naar organisatiecultuur en sturing binnen de politie met het proefschrift ‘Sturingsperikelen in de Politieorganisatie.’ Braun gaf les aan de politieacademie en adviseert de politie bij organisatievraagstukken, waardoor ze als geen ander weet hoe er tegen de wijkagent wordt aangekeken: “Iedereen snapt dat je criminaliteit aan de voorkant moet aanpakken. Maar de cultuur binnen de politie zorgt ook voor een informeel apenrotsje, waar de wijkagent niet als het meest stoere werk wordt gezien.”